Nederland 1567
     

Servaasbolwerk

 
3512 NK Utrecht   unknown
 
    Pesthuis
   
    Anders
  RDMZ, Uittreksel uit de Objecten Data Bank, nr. 18333 en tekening door J. de Beijer uit 1744; D. Leistikow, Hospitalbauten in Europa aus zehn Jahrhunderten. Ein Beitrage zur Geschichten der Krankenhausbaues, Ingelheim am Rhein 1967; GAU, gravure J. Basire, 1777).

Geschiedenis :
Gasthuis Leeuwenberg is in 1567 als pesthuis gebouwd aan het huidige Servaasbolwerk op het achterterrein van het oorspronkelijke St. Quintijnsgasthuis. Reeds vanaf 1520 waren er in Utrecht plannen voor de bouw van een pesthuis. Dit kon uiteindelijk worden bekostigd uit de nalatenschap van Agnes van Leeuwenbergh die in haar testament van 1562 bepaalde dat het gasthuis bestemd moest zijn voor arme zieke mannen en vrouwen. Het tweebeukige gebouw had oorspronkelijk vier zalen met een brede gang in het midden en was voorzien van twee zadeldaken. Het geheel is onderkelderd en voorzien van twee hoge tongewelven. Type van de "halle". De bedsteden in de zaal bevonden zich tegen de zijden. Vanaf galerijen, toegankelijk via een trapuitbouw, konden de hooggeplaatste vensters worden geopend. In het rampjaar 1672 werd het gasthuis gevorderd en kreeg het de functie van militair hospitaal. In 1678 brandde het bijna geheel uit. Slechts het muurwerk bleef gespaard. In 1680 werd het pand gerestaureerd en van een soortgelijke kap voorzien als voor de brand. De keuken kwam op een andere plek en de zuidoostelijke uitbouw werd vergroot. Gedurende de achttiende eeuw speelde het gasthuis een rol op het gebied van de armenzorg en de algemene zorg voor besmettelijke ziekten. In 1794 veranderde het pand in een kazerne. Er werden twee verdiepingsvloeren aangebracht, ter hoogte van de galerijen en de dakvoet, evenals een extra rij vensters in de gevel.
In 1845 werd het gasthuis tot scheikundig laboratorium verbouwd. De chemicus professor Gerrit Jan Mulder (1802-1880) zwaaide er jarenlang de scepter. Mulder was de eerste die in Nederland voedselonderzoek ging doen, gericht op de volksgezondheid. De achterbouw werd afgebroken, om een nieuwe gevel (avant-corps) met topgevel en dubbele trap aan te brengen. De oorspronkelijke vensters werden vervangen door spitsboogvensters. Zo ontstond de hoofdgevel van het pand aan de zijde van de inmiddels afgebroken stadswal. In 1885 werd een volgende restauratie voltooid, met als doel het pand in de oorspronkelijke toestand van 1567 te herstellen. De avant-corps werd verwijderd; de trap vervangen door een enkele trap en de spitsboogvensters voorzien van neogotische baksteentraceringen met op het dak twee neogotische dakkapellen. Deze toevoegingen waren echter niet op de oorspronkelijke middeleeuwse toestand gebaseerd. In 1930 is het interieur tot één grote ruimte omgebouwd en in gebruik genomen als kerk. In 1978 werd de restauratie van de kap voltooid. De door boktor aangetaste kap uit 1678 moest geheel worden vernieuwd.

 

(translation in progress…)

 

Histoire :
L'hôpital Leeuwenberg fut fondé en 1567 au titre de lazaret pour pestiférés sur le site de l'actuel Servaasbolwerk à l'arrière du premier hôpital St Quentin. Déjà en 1520 il y avait des plans à Utrecht pour la construction d'un lazaret pour pestiférés. Cette construction put finalement être financée grâce à la succession d'Agnès van Leeuwenbergh qui spécifiait dans son testament de 1562 que l'hôpital devait être destiné aux pauvres. Le bâtiment à deux nefs comptait à l'origine quatre salles avec un large couloir au milieu, et était pourvu de deux toits en bâtière. L'ensemble est pourvu de fondations et de deux hautes voûtes en berceau du type des "halles".
Les alcôves dans les salles se trouvaient contre les côtés. Les fenêtres surélevées étaient accessibles depuis les galeries via un escalier en saillie et pouvaient être ouvertes.

L'hôpital fut réquisitionné au cours de la dramatique année 1672 et fut transformé en hôpital militaire.
Il faillit brûler intégralement en 1678. Seuls les murs furent épargnés. Le bâtiment fut restauré en 1680 et fut doté d'un toit semblable à celui d'avant l'incendie. Les cuisines furent déplacées et l'aile sud-ouest fut agrandie.

Au cours du dix-huitième siècle, l'hôpital joua un rôle dans les soins dispensés aux pauvres et dans le traitement général des maladies infectieuses. En 1794, la propriété fut transformée en caserne. Deux étages furent ajoutés, à hauteur des galeries et du battellement, ainsi qu'une rangée supplémentaire de fenêtres dans la façade.

En 1845, l'hôpital fut transformé en laboratoire de chimie. Le chimiste et professeur Gerrit Jan Mulder (1802-1880) y régna en maître pendant des années. Mulder fut le premier aux Pays-Bas à faire de la recherche sur les aliments afin d'améliorer la santé publique. L'arrière-corps fut abattu afin de donner une nouvelle façade (avant-corps) au bâtiment, avec un pignon et un double escalier. Les fenêtres d'origine furent remplacées par des fenêtres ogivales. C'est ainsi que l'on vit côtoyer la façade du bâtiment avec les remparts de la ville qui furent abattus depuis.

Une nouvelle restauration fut effectuée en 1885, l'objectif étant de reconstituer l'état original de l'immeuble de 1567. L'avant-corps fut démoli, l'escalier fut remplacé par un escalier simple et les fenêtres ogivales furent dotées d'entrelacs néo-gothiques en brique avec deux lucarnes néogothiques dans la toiture. Ces ajouts n'étaient en fait pas basés sur les dessins d'origine du Moyen-Age.

En 1930, l'intérieur du bâtiment fut transformé en un grand espace unique et utilisé comme église.
En 1978, la restauration de la toiture fut réalisée. La toiture de 1678 qui avait été attaquée par le cérambyx dut être entièrement remplacée.