Nederland 19e - 20e s
     

Oudezijds Achterburwal 237

 
Amsterdam   H. Leguyt / A.N. Godefroy / F.W.M. Peggenbeek
 
    Algemeen ziekenhuis
   
    Medische activiteiten
  RDMZ, Overzicht objecten uit de Objecten Data Bank, nrs. 5782, 518302, 518303, 518305, 518306, 518307, 518308; G.T. Haneveld, Oude medische gebouwen van Nederland, Amsterdam 1976; A. Mooij, De polsslag van de stad. 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam, Amsterdam-Antwerpen 1999).

Geschiedenis :
In het kader van de Reformatie kwamen de kloosters in handen van de Amsterdamse stedelijke instellingen voor liefdadigheid. Een aantal kleine gasthuizen verhuisde daarop in 1582 naar het voormalige klooster van de Oude en de Nieuwe Nonnen op het terrein tussen de huidige Oude Turfmarkt, Nieuwe Doelenstraat; Kloveniersburgwal, Oudemanhuispoort, Grimburgwal Korte Turfmarkt, Turfdraagsterpad, Vendelstraat en Binnengasthuisstraat. Hieruit ontstond het grootste gasthuis van Amsterdam, het Sint Pietersgasthuis, later Binnengasthuis genoemd. Het bestuur van zes regenten en regentessen werd benoemd door de burgemeesters van de stad. In de zeventiende eeuw was er een mannen- en een vrouwenafdeling, een afdeling voor chirurgische patiënten, een apotheek, een snijzaal en een zogenaamde baaierd, waar reizigers konden uitrusten. Primair was de instelling bedoeld voor onvermogende poorters van Amsterdam, voor matrozen en soldaten en voor ziek geworden reizigers. Al aan het begin van de zestiende eeuw verzorgde de stadschirurgijn de patiënten, later kwamen er speciale gasthuischirurgijns. In het waaggebouw uit 1692 werden anatomische lessen gegeven.Tot in de negentiende eeuw bleef het gasthuisterrein zijn middeleeuwse en zeventiende eeuwse aspect behouden. Het huidige Binnengasthuiscomplex bestaat uit een groot aantal verschillende panden op het gasthuisterrein, doorgaans daterend van het eind van de 19de eeuw.


Het 19de eeuwse complex is grotendeels ontworpen door de architecten H. Leguyt en A.N. Godefroy en tussen 1868 en 1890 gebouwd in neohollandse renaissancestijl. Er bevinden zich een voormalige stads- en gasthuisapotheek, een voormalige klinische ziekenhuis, twee wachtkamers, een voormalige kraamkliniek en een voormalige vrouwenkliniek. Thans zijn de gebouwen in gebruik bij de universiteit van Amsterdam. Het klinische ziekenhuis, 1888-1890, ontworpen door H. Leguyt, is gebouwd volgens het paviljoensysteem op een rechthoekige plattegrond. Het centraal gelegen gebouw met trappenhuis wordt geflankeerd door twee vleugels, waarin een mannen- en vrouwenzaal waren gehuisvest. De kraamkliniek (1868-1870) en de vrouwenkliniek (1874-1877), ontworpen door A. N. Godefroy, zijn gebouwd volgens het corridorsysteem op een rechthoekige plattegrond. De gevels, voorzien van classicistische elementen, hebben een sobere uitstraling. De voormalige tweede chirurgische kliniek met zusterhuis, gelegen aan de Kloveniersburgwal, is in 1913-1914 gebouwd in de Berlagiaanse overgangsstijl, naar ontwerp van de architect F.W.M. Poggenbeek. Het heeft een plattegrond van het type corridorsysteem. Opvallende elementen zijn de verspringende geveldelen, de variatie in hoogte van de gootlijsten en de toepassing van siermetselwerk met pilasters en tandfriezen.

 

(translation in progress…)

 

Histoire :
Dans le cadre de la Réforme, des monastères devinrent la propriété des institutions caritatives municipales d'Amsterdam. Un certain nombre de petits hôpitaux ont dès lors déménagé en 1582 vers l'ancien monastère des Vieilles et des Nouvelles Nonnes sur le terrain où se trouvent actuellement les Oude Turfmarkt(1), Nieuwe Doelenstraat(2), Kloveniersburgwal(3), Oudemanhuispoort(4), Grimburgwal Korte Turfmarkt(5), Turfdraagsterpad(6), Vendelstraat(7), et Binnengasthuisstraat(8). C'est ainsi qu'apparut le plus grand hôpital d'Amsterdam, l'hôpital Saint Pierre qui fut par la suite rebaptisé Binnengasthuis. La direction composée de six directeurs et directrices était nommée par les bourgmestres de la ville. Au XVIIième siècle, il y avait une section réservée aux hommes et une autre aux femmes, un département chirurgie, une pharmacie, une salle de dissection et ce que l'on nommait un bazar où les voyageurs pouvaient se reposer. L'institution était prioritairement destinée aux bourgeois indigents d'Amsterdam, aux matelots et aux soldats, ainsi qu'aux voyageurs tombés malades. Déjà au début du XVIième siècle, le chirurgien de la ville y soignait les patients. Plus tard, il y eut des chirurgiens attachés à l'hôpital. Dès 1692, des leçons d'anatomie furent données dans le bâtiment de la balance.
Le terrain de l'hôpital conserva son aspect médiéval du XVIIième siècle au XIXième siècle.
Le complexe actuel du Binnengasthuis est constitué d'un grand nombre de différents pavillons sur le terrain de l'hôpital, lesquels datent de la fin du XIXième siècle.

Architecture :

Le complexe du XIXième siècle fut essentiellement entrepris par les architectes H. Leguyt et A. N. Godefroy entre 1868 et 1890 dans le style néo-renaissance hollandaise. Il compte une ancienne pharmacie municipale et hospitalière, une ancienne clinique, deux salles de garde, une ancienne maternité et une ancienne clinique pour femmes. Les bâtiments sont par ailleurs utilisés par l'Université d'Amsterdam.
L'hôpital clinique, 1888-1890, entrepris par H. Leguyt, fut construit sur le modèle d'un système de pavillons sur une surface rectangulaire. Le bâtiment central avec une cage d'escalier fut flanqué de deux ailes où furent établies les salles pour les hommes et pour les femmes.
La maternité (1868-1870) et la clinique pour les femmes (1874-1877), construites par A. N. Godefroy, sont conçues selon le système des corridors sur une surface rectangulaire. Les façades, dotées d'éléments classiques, ont un rayonnement sobre.
L'ancienne deuxième clinique de chirurgie avec le pavillon des infirmières, dans le Kloveniersburgwal, fut construite dans le style de transition de Berlag en 1913-1914, sur la base du projet de l'architecte F.W.M. Poggenbeek. Son plan est du type de celui des systèmes de corridors. Les éléments marquants sont les parties décalées de la façade, la variation dans la hauteur des chéneaux et l'adaptation de la maçonnerie de décoration aux pilastres et aux frises crénelées.